Onze visie op de haflingerfokkerij
Qua layout dient onderstaande tekst nog te worden aangepast
Een adelijk ras wat ook functioneel moet zijn.
Geschiedenis:
De haflinger in Nederland is een veelzijdigheidspaard van een relatief jonge fokkerij. De haflinger is in Nederland geïmporteerd vanaf 1961. Met de import van deze oostenrijkse bergpaardjes werd hetzelfde doel betracht als de Fjordenpaarden uit Noorwegen. Deze dieren werden in eerste instantie vnl. ingezet voor de kleinschalige land-en tuinbouw. Met de grootschalige mechanisatie kwam in Nederland hieraan een definitief einde en het gebruik van het werkpaard werd sterk verminderd.
Meer vrije tijd voor de mensen en behoefte aan recreëren vroeg om een betrouwbaar en karaktervriendelijk veelzijdigheidspaard. De Haflingerfokkerij kreeg een ander fokdoel: een wat groter en vooral rijtypischer dier voor de recreatiesport. Vooral begin jaren zeventig werd nogal gebruik gemaakt van arabierenbloed waardoor de Haflo-arabier ontstond.
De oorsprong van de Haflinger is met name terug te brengen op de als stamvader geregistreerde hengst 133 El’Bedavi XXII 1868, een arabische hengst en zijn zoon 249 Folie 1874 die een ZuidTiroolse landmerrie als moeder had.Alle vaderlijnen van de tegenwoordige haflingerfokkerij voeren op deze stamvader terug.Het land van oorsprong is waarschijnlijk Zuid Tirol, de streek Bolzano en Merano (het tegenwoordige Italië) waarin ook het dorpje Hafling ligt.
In de geschiedenis wordt ten tijde van de landgravin Margaretha Maultasch (1318-1369) al gesproken over het Zuidtiroolse landpaard die van een Noriker afkomstig was. (Een Noriker is een zwaar bergpaard uit de Oostenrijkse en Beierse Alpen die gebruikt werd als landbouwpaard en al ten tijde van Karel de Grote wordt vermeld). Het Zuidtiroolse landpaard is als gevolg van een veel hardere opfok; kleiner droger en harder en ook luxer geworden dan de Noriker. Al in de middeleeuwen is er al sprake van invloeden van Oosters bloed door hengsten met oosterse afstamming.
De arabische inslag bij de tegenwoordige Haflinger wordt nog steeds verraden door het tamelijk kleine edele hoofd, de klein harmonisch gebouwde oren en de donkere grote ogen, de geprononceerde kaak en soms concave (= holle) neuslijn. Er is met name in Duitsland nog veelvuldig gebruik gemaakt van arabische bloed om paarden met een zogenaamd beter “zadelmodel” te verkrijgen. Vooral in de jaren dertig en na de tweede wereldoorlog heeft de Haflingerfokkerij in Duitsland en Oostenrijk een sterke uitbreiding ondergaan.
In Nederland zijn deze produkten bekend als de Haflo-arabier welke zich niet als rasfokkerij heeft ontwikkeld. Sterker nog, het gebruik van deze fokprodukten zijn de afgelopen jaren sterk in aantal gedaald en komen bijna niet meer voor.
Vooral in de jaren ’90 is er steeds naar gestreefd en meer selectief aan gewerkt om binnen het ras het percentage arabierenbloed te verminderen èn zo uniformer en rastypischer te fokken waardoor er sprake zal zijn van een steeds meer raszuivere fokkerij.
Fokkerij; verschil doeltype en rastype
Om het bestaan van onze Haflingerpaarden te waarborgen en dus ook de levenskracht, levensduur en gebruikswaarde, is een goede selectie noodzakelijk om juist vele specifieke eigenschappen erfelijk vast te leggen; Het ras moet homogeen worden doorgefokt.
Indien een paard duidelijk de gewenste raskenmerken vertoont spreekt men van ‘veel ras’ en is dus een rastypische vertegenwoordiger van zijn of haar stamboek.
De kwaliteit van het beenwerk, de vacht (haarstructuur, kleur, glans) en de adel (oosterse chique kenmerken en levendige uitstraling in presentatie) bepaalt de schoonheid wat bij onze Haflingerfokkerij heel typerend is. Hoe duidelijk de raskenmerken aanwezig zijn, hoeft niet de gebruikswaarde van het paard te beïnvloeden maar indien een Haflinger met minder duidelijke raskenmerken aan een exterieurkeuring wordt aangeboden, zal dit te zien zijn in de plaatsing.
Bij een doeltype is de functie van het paard waarvoor het speciaal gebruikt wordt een belangrijke voorwaarde bij de fokkerij. Denk aan: een draver, spring- of trekpaard. Er is sprake van een functionele anatomische bouw; specifieke lichamelijke kenmerken die naar voren komen in kwaliteit en prestatie. De Haflo-arabier werd vooral voor jonge ruiters ingezet in de sport en vertegenwoordigde dus een specifieker gebruiksdoel.
.
Een biomechanische analyse:
Het interessante van onze fokkerij is dat er juist de laatste twintig jaar duidelijk vraag is naar een veelzijdig paard voor gebruik onder het zadel of aangespannen.
Het ras is ontstaan uit twee uiterste doeltypen: een zwaar werkpaard en een oosters warmbloedpaard die de rijeigenschappen meer bezit.
En wij willen zo snel mogelijk een mooi, adelijk en uniform ras met alle gewenste gebruikskenmerken…?! En graag ook nog homogeen vastgelegd …?!
Het is misschien leuk om deze twee uiterste typen qua doel en gebruikskenmerken eens naast elkaar te zetten.
.
Het trekpaardtype: een vierkantsmodel d.w.z. de lengte en de hoogte zijn ongeveer gelijk.
· de zwaarte en massa van dit type moet in verhouding zijn tot de last die het moet trekken.
· daar heeft het een korte brede rug voor nodig die eigenlijk strak en stijf moet zijn om het gewicht in een horizontale lijn op de voorhand te moeten over te dragen.
· om deze kracht zo efficiënt mogelijk te laten zijn moet het een hellend kruis hebben (35 graden); de lendenen en kruis moeten maximaal kunnen scharnieren om het achterbeen en het korte voorbeen schrap te kunnen zetten en de rug door te strekken.
· de lange schouder ligt steil en vaak wat naar voren, om de getrokken last naar voren te blijven houden waarbij de hals vaak ook kort en gespierd is en ook soms onderhals toont. (N.B. het tegenwoordige trekpaard heeft de schouder meer naar achteren liggen met mooiere en langere aangezette halzen om de haam goed te kunnen dragen.)
· de borst is breed tot erg breed met een zware boeg welke zorgen voor een krachtige afzet van de voorhand.
· het dier moet ook lengte hebben in de ribben voor goed ontwikkelde longen en hart.
· belangrijk zijn brede gewrichten voor een goede stevige aanhechting van de spieren.
· er is sprake van een relatief kort gedrongen paard met stevige verbindingen die zijn kracht efficiënt van achteren naar voren en beneden moet brengen door zijn bekken te kantelen èn zijn voorhand in het borstgareel te werpen.
.
Het rijpaardtype: een rechthoeksmodel, d.w.z. de lengte van het paard is groter dan de hoogte die o.a. nodig is voor voldoende lengtebuiging, dus een lang gelijnd model.
· We noemen bij dit type paard dat het “over veel bodem” staat. Daar bedoelen we mee: een lange schuine schouder met een ver doorlopende schoft bij een niet te lange rug. Van staart tot schoft is dit dier gebouwd in een opwaartse lijn met een vloeiende bespiering om zich rond te kunnen maken in beweging. Dit noemen we een gesloten bovenlijn. Het paard mag niet overbouwd zijn.
· het moet een ruiter op zijn rug kunnen dragen en zonder te veel inspanning soepel kunnen bewegen en het bit makkelijk kunnen aannemen.
· het dier is soepel en buigzaam in al zijn verbindingen, dus ook de lendenen, het kruis mag niet kort zijn. De lengte van het kruis geeft een goede hefboomwerking en is een aanhechtingsplaats voor de dikke brede broekspier.
· Het kruis mag niet “dakvormig” zijn dus zonder brede en goed ontwikkelde spierlaag. De bespiering moet vloeiend moet aansluiten op de rug omdat dáár de motor van de ruime en krachtige beweging zit.
· Het kruis is licht hellend: 18 tot 22 graden om met een stuwende werking de achterhand onder te kunnen brengen, bij een recht kruis word vaak het achterbeen opgetrokken maar niet ondergebracht.
(Dit gaat niet altijd op, b.v. bij de arabier; deze heeft een schaatsbeweging door hielnauwheid)
* Het zgn. “spanzaagmechanisme” , dat zijn de spieren die de verbindingen verzorgen tussen
bekken –dijbeen –kniegewricht - en spronggewricht, bevorderen dat de kracht vanuit het achterbeen door de rug tot in de bovenste wervel; de atlas, doorwerkt.
· Er is sprake van brede spronggewrichten van voren en van opzij gezien, die beslist niet te steil en zonder afwijkingen in bouw gevormd mogen zijn, omdat deze goede aanhechtingsplaats vormen voor de brede krachtige en lange spieren.
· Het paard heeft niet een tè brede borst maar wel ribdiepte voor een goed ontwikkeld hart en goed ontwikkelde longen.
· Er is sprake van een lang voorbeen (onderarm) die er voor zorgt dat op tijd voldoende ruimte vrijkomt om het achterbeen en de achterhand onder te brengen.
· Samen met een goede halslengte die vooral buigzaam is, de atlas (bovenste wervel) als hoogste punt heeft, een lange geprononceerde schoft (doornuitsteeksels van de wervelkolom die duidelijk naar achteren wijzen) voor een goede zadelligging èn een goed aansluitende schouder die het voorbeen kan wegslingeren, geeft in opwaartse - en voorwaartse richting front.
· De nek met de bovenste wervels (atlas en draaier) zijn ruim gebouwd en de kaaktakken moeten onderling voldoende ruimte hebben zodat het hoofd niet vast tegen de onderhals aanloopt als er aanleuning wordt gevraagd.
.
De Haflinger: een mix van het rijpaardtype en het trekpaardtype:
De overeenkomsten van het rijpaardtype en het trekpaardtype komen bij onze Haflinger te samen naar voren met de volgende belangrijke kenmerken: kracht, uithoudingsvermogen, doorzettingsvermogen en hardheid.
Daarvoor zijn nodig: breedte in bouw zoals de relatief korte brede lendenen en met veel “bot” voor goede aanhechtingsplaatsen van spieren. Een royale rugbespiering geeft een mooie gesloten bovenlijn en de algemene dikke bespiering laat een relatief ronde belijning en compactheid van bouw zien. Het kruis is licht gespleten en goed bespierd. De broek- en schenkelbespiering is relatief zwaar.
Ribdiepte, ribbreedte, en een goed ontwikkelde boeg geven de “koffer” van de Haflinger een krachtige uitstraling.
Een aantal functionele tegenstellingen moeten ook in de bouw met elkaar gecompenseerd worden: in plaats van dat de kracht in een horizontale lijn zo gemakkelijk mogelijk van achteren naar voren gebracht moet worden, willen wij bij onze rij- en men paarden, een dier wat ook soepel zijwaarts moet kunnen buigen in de spieren die de gewrichten met elkaar verbinden.
We willen dat het paard front maakt en van voren omhoog komt door het goed onderbrengen van de achterhand i.p.v. dat het z’n bekken kantelt en al het gewicht neerwaarts op de voorhand “werpt”.
Het kruis moet lengte hebben en langere spieren geven een grotere paslengte en een stuwende hefboomwerking vanuit de achterhand. Vanuit een vierkantsmodel (klassiek van type) is in de fokkerij gestreefd naar een meer rechthoeksmodel. (modern van type)
In de moderne Haflingerfokkerij wordt vooral gelet op meer maat en deze lange lijnen die ook zorgen voor meer oprichting: lengte van de middenhand en kruis (“het over veel bodem staan”), een lange schouder die beter aansluit op de ribben (zonder plateau) en een langer voorbeen (onderarm) en meer hals-en neklengte (atlas-draaier) zodat het dier meer “front toont”. Hierbij komt de elleboog van het paard zeker niet lager dan de knie van het achterbeen.
Zonder functioneel en gezond bewegen wordt het een : “Plaatjesfokkerij”
De eerste vereisten van de bewegingen zijn souplesse, takt en correctheid. De paarden moeten goed door de “rug gaan” en over looplust beschikken. De regelmaat, takt en balans zijn noodzakelijk voor het langdurig gebruik zonder vervroegde slijtage.
Bij het trekpaardtype zal de stap en de draf de belangrijkste gangen zijn, de ruimte in de beweging zal in de stap, relatief kort zijn. (denk b.v. aan het ploegen).
De “gummi”, dus het atletisch vermogen is maar beperkt nodig, de kracht is het voornaamste.
Wij willen in de recreatie-, rij - en mensport meer het rijpaardtype met juist wel veel ruimte, buigzaamheid en atletisch vermogen. Het front maken, het kunnen verzamelen en uitstrekken evenals het zijwaarts gaan en buigen zijn functioneel en geven de uitstraling bij het zichzelf presenteren.
Het paard gaat “berg op”.
Bij het goed bewegen door het lichaam heen moet er sprake zijn van een functioneel gebouwd kruis wat dus wel enigszins hellend, maar niet te hellend, te rond of te hoog mag zijn èn met goede verhoudingen in de lengte en standen van de gewrichten van de achterbenen en de achterhand !
De tè snel groeiende grote en vroegrijpe Haflinger verliest het tegenwoordig steeds meer op deze juiste verhoudingen, vooral in de bouw van de achterbenen, de hoeken in de heupen en in het bekken.
Bij “te paardachtige Haflingers” zien we tegenwoordig ook een te zware massa ontstaan in een te fors ontwikkelde voorhand. Dit lokt eerder het onderstandig zetten van de voorbenen uit en drukt de bewegingen naar voren toe, te veel neerwaarts.
Het stappen :
· een zuivere viertakt beweging, vlot, regelmatig harmonisch met kracht in de afzet.
· Let op de verhouding van de ruimte en plaatsing van het achterbeen t.o.v. het voorbeen; het achterbeen duwt het voorbeen uit de schouder naar voren en komt in, of over de afdruk van de voorhoef.
· Het dier spoort met zijn massa recht: zonder de benen buiten of binnen de massa te brengen. Een verkeerd gewaardeerde niet functionele stap die vaker bij Haflingers voorkomt
· een ruime stap mag ook niet tè ruim zijn omdat het dier dan gaat draaien met de achterhand, gaat “schommelen”en dus de kracht ontbreekt. Het achterbeen is traag en “ploft in” of zelfs over de afzet van het voorbeen. Vaak wordt zo’n beperking niet gezien of zelfs “overgewaardeerd”.
· Bij veel Haflingers, vooral direct stammend uit het moederland, zien we nog al eens een te lange schenkel in het achterbeen die vroeger functioneel sabelbenig (een kleinere hoek van het onderbeen t.o.v. het bovenbeen in het spronggewricht) gesteld was om te kunnen klimmen in de bergen. Omdat men deze stand niet meer kon waarderen, is er meer “rechtheid” in het achterbeen gefokt, met als gevolg dat het steeds sneller en groter gefokt paard, zijn lange achterbeen niet kwijt kan, dus onderzwaait, in plaats van het stuwend onderbrengt.
De bouw van de spronggewrichten bij dit soort paarden zijn ook in breedte en ontwikkeling,
afgenomen.
Het draven :
· betekent een diagonale twee-takt beweging, eveneens vlot; een regelmatig ritme met een goede
balans waarin de beweging wordt afgemaakt vanuit de achterhand, door de rug, tot in de atlas,
(bovenste nekwervel) en waarbij ook ruimte, souplesse en correctheid een vereiste zijn.
· Er is sprake van een zweefmoment; de massa is gericht van achteren naar voren opwaarts.
· Het paard moet de achterhand onder de massa brengen, het gaat zichzelf dragen en kan zich vrij naar voren oprichten. Hierdoor wordt de beweging van de voorhand ruimer en de slingerbeweging van het schouderblad en het voorbeen vrijer. Het paard komt lichter op de hand en vanuit de ruimer dragende hals, kan het ook nageeflijk worden in de atlas van de nek en de kaakgewrichten.
Afwijkende drafbewegingen in het voor -achterwaartse vlak die niet functioneel zijn:
· Stekerig: het voorbeen wordt zonder enige kniebuiging overdreven vlak weggezet. Het houdt zich vaak vast in hals en rug.
· Stamperig: de schoudervrijheid ontbreekt, het paard draaft kort en is stug in de rug.
· Tegenwoordig ziet men steeds meer grote en vroegrijpe paarden die vooral in de draf uit elkaar vallen: slungelige passen waarbij tact en zuiverheid verloren gaan.
Sommigen komen niet eens in diagonale twee takt, de lange zijde van de baan door.
Vooral is bekend en geleerd ook bij andere rassen, dat het gevaar van “snelle modernisering” :
teveel centimeters in lengte en schofthoogte, altijd flink ten koste gaat van de kwaliteit
in het diagonaal tactmatig bewegen. Het lichaam valt te snel naar voren en de stuwing van de
achterhand ontbreekt. In de jeugd ziet men vaker dat de knieschijf in het kniegewricht ook
moeilijk recht kan sporen. Dit kan onterecht gezien worden als een “jeugd- of groeiprobleem”.
De galop :
· Dit is een drie-takt beweging bestaande uit verschillende fases:
· De galopsprong is samengesteld uit een reeks afzonderlijke sprongen. Men onderscheidt de
linker galop, wat vaak de natuurlijke voorkeur is, èn de rechtergalop.
In de rechtergalop wordt het linkerbeen neergezet; het stuwt het lichaam krachtig naar voren
waarna de beweging wordt afgewikkeld over de linkerdiagonaal (LV-RA) en het verst naar voren
grijpende rechtervoorbeen. Dit zorgt voor een energieke afzet voor de hernieuwde opwaartse
beweging voor de volgende sprong na het zweefmoment.
· Ook hier moet het paard zich groot maken en dragen door de achterhand onder te brengen en als het ware opwaarts, een “berg op galopperen”.
Afwijkende niet functionele galop :
· De galop is rollend; hierbij gaat het paard teveel op de voorhand; het “duikt” als het ware en kan niet goed wegkomen. Dit geeft een zwaarmoedige korte galopsprong met onvoldoende elastiek.
Bij de Haflinger is dit over het algemeen de minst ontwikkelde gang waarop gelet wordt in de fokkerij. Deze gang moet ook gedegen ontwikkeld zijn bij het rijden onder het zadel, voor het basculeren bij het springen, maar ook in de mensport. Ook hier ligt vaak de oorzaak van een niet functionele bouw door te lange schenkels, verkeerde verhoudingen en hoeken in het achterbeen en dus onvoldoende gebruik van het spronggewricht, de lendenen en het “spanzaag-mechanisme”.
Voor afwijkingen in bewegingen, zoals “maaien”en binnenwaarts opnemen in het “scheppen” of “biljarderen” (het naar buiten vallen van het achterbeen vanuit het spronggewricht), geldt natuurlijk hetzelfde als voor alle andere rassen.
Minder gewenste raskenmerken van ons “oorspronkelijk bergpaardje”:
· lichte toontrederigheid wordt niet al tè zwaar gestraft bij de beoordeling op de keuringen: er is sprake van een “bergpaarden kenmerk”en kan functioneel zijn bij het schrap zetten op gladde rotsachtige bergpaadjes. (In het begin van de fokkerij in Nederland is hier wel scherp op gelet )
· overkruizen en een sterk maaiende beweging (van buiten naar binnen opnemen van de voet) is duidelijk niet functioneel, dit evenals de franse stand met scheppende gang.(van binnen naar buiten opnemen van de voet) De slijtage en dus kwaliteit in levensduur komt hierbij in geding.
Dit komt gelukkig steeds minder voor.
· Eerder was enige sabelbenigheid vaker voorkomend ook vanwege het klimmen en het dalen in bergachtig gebied. Dit is heel functioneel om het gewicht (inclusief draaglast) beter te verdelen. Het wordt als ongewenst gezien in de tegenwoordige Haflingerfokkerij, maar bedenk wel: een tè steil achterbeen is nog veel erger als je daalt vanaf een bergpaadje en je sneller beneden komt dan de bedoeling is !!
· Het functioneren van een goed hoefmechanisme (het naar alle kanten kunnen uitzetten van de hoefballen en verzenen) is een absolute noodzaak voor een soepele en krachtige afzet.
Dus tè kleine voeten met weinig of ondergeschoven verzenen geven veel eerder kans op kreupelheid. Van oorsprong heeft de Haflinger ook wat meer stugheid in de kootgewrichten.
· Wij zien in de tegenwoordige Haflingerfokkerij ook steeds vaker een mindere functionele bouw
in de gewrichten; deze zijn dan “appelvormig” en moeten meer “peervormig”gebouwd zijn om
een goede aanhechtingsplaats te bieden voor de pezen en banden. Dus meer risico op blessures!
Tot slot :
De schrijver hoopt dat deze technische uitleg en biomechanische beschouwing, waarmee wij onze visie uitdragen van een functionele Haflingerfokkerij, duidelijk genoeg is.
Door het uitwerken van de termen: rastypische fokkerij en doeltypische fokkerij, probeert de schrijver een link te leggen tussen fokken van het mooie rasadelijke type, maar toch ook een “kritisch oog” te vragen voor de functionaliteit, de gezondheid, de duurzaamheid en de prestatie van de Haflinger.
We hopen dat ondanks, de voor sommigen soms moeilijke theorie of terminologie, een breder inzicht is ontstaan in het gemeenschappelijk belang van de fokkers èn de gebruikers.
De exterieurbeoordeling in onze fokkerij is van essentieel belang om onze Haflingers in z’n erfelijke eigenschappen, zo uniform mogelijk vast te leggen in een homogene rasfokkerij. Maar zonder enthousiaste gebruikers, hebben we misschien wel “mooie plaatjes”, maar komen we letterlijk en figuurlijk, niet ver …., en ook niet meer verder…….
Een oud spreekwoord luidt:
“ die een paard of vrouw zoekt zonder gebreken, mag het werk wel laten steken , en bedenken dat hij bed en stal voor eeuwig leeg houden zal ”. (vader Cats)
Margreeth Bakx - Thüring
(Ondergetekende van deze biomechanische beschouwing is zelf houding -en bewegingstherapeut in de eerste lijnsgezondheidszorg (tevens revalidatie) en eerder jurylid geweest voor het K.V.T.H.)
Bronvermelding:
1970 : Paarden en pony’s in Nederland, drs. G.A.R. Nieuhoff, ISBN: 9011 54003 4
1988 : Haflinger Horses, Otto Schweisgut, ISBN 3-405-13593-1
1994 : Development of equine locomotion from foal to adult, Dr. W.Back, ISBN: 90-393-0564-1
Promotie-onderzoek en proefschrift, o.a. Prof. Dr. A. Barneveld en Prof. Dr. W. Hartman, Utrecht
1994 / 1995 : gebruikte modules theorie: Paardenhouderij de Groene Welle te Zwolle
- module A ; exterieur en gangen voor beginners
- module B ; exterieur en gangen voor gevorderden
- module C ; exterieur en gangen voor kenners
- module D ; beenstanden en beengebereken
- module Q ; Fokjuylid Stamboeken ;i.o.v. Landbouwschap, afd. Paardenhouderij Wageningen i.s.m.Bedrijfsdiergeneeskunde Faculteit Diergeneeskunde – Utrecht
- Copyright Stal de Hijker-Esch 2007 - 2012
